Het begin: damwedstrijden en chocomelk in de kroeg

Studenten van de Christelijke Kweekschool waren in de jaren vijftig blij met een eigen beroepsopleiding, waar kerkgeschiedenis belangrijker was dan praktische lessen didactiek.

door Christiaan Pelgrim

Nooit heeft Kees Elings (75) zijn ouders verteld dat hij weleens in een Edese kroeg zat, midden jaren vijftig. “Dat zou me niet in dank zijn afgenomen.” Niet dat Elings nou zo’n wilde student was, toen hij vanaf 1956 ging studeren aan de pas opgerichte Christelijke Kweekschool op de Veluwe. “De zuilen stonden nog recht overeind.” Maar toch: zijn ouders zouden het niet begrepen hebben.

Dat kende we niet van huis uit

Terwijl die avonden in de kroeg achteraf onschuldig lijken. Sommigen dronken cola, Elings hield het bij chocomelk. Maar vergis je niet, zegt hij: het was nog maar kort na de oorlog. Dus op het oog onschuldige activiteiten, zoals door de studentenvereniging georganiseerde dam- en schaakwedstrijden, of thema-avonden rond een componist, waren al bijzonder. “Dat kenden we niet van huis uit. Mensen waren bezig met de wederopbouw. Er was niet veel tijd voor ontspanning.”

Gemoedelijk en tikkeltje provisorisch

Op de kweekschool, zoals de in 1954 opgerichte lerarenopleiding toen nog heette, waren twee klassen van ongeveer twintig studenten. De sfeer was gemoedelijk, een tikkeltje provisorisch misschien. De school had niet eens een eigen gebouw: de lessen waren meestal in een verenigingsgebouw. “Op een koude winterochtend”, herinnert oud-student Wim Wijnands (75) zich, “kwamen we daar aan, en zagen we dat bejaarde dames het gebouw bezet hadden om een bazaar te houden. Toen moesten wij uitwijken naar de consistorie van de Grote Kerk.”Veel docenten pendelden met de trein tussen Utrecht en Ede, omdat de kweekschool begon als dependance van de christelijke kweekschool Rehoboth in Utrecht. “En de Spoorwegen waren in die tijd niet accurater dan nu”, zegt Wijnands, die in 1954 bij de eerste groep studenten hoorde. “Dus ze kwamen ook wel eens te laat.”

We waren gewend dat er hard gewerkt moet worden

De studenten waren erg betrokken bij de school, vertelt Elings. “We beschouwden het als een cadeau dat we een beroepsopleiding konden volgen.” Ze kwamen veelal uit de middenklasse. “Uit het midden- en kleinbedrijf, zou ik haast zeggen.” Elings’ vader was fruitteler, er waren ook kinderen van bakkers. “Dat gaf een bepaalde kleur aan het geheel. We waren gewend dat er hard gewerkt moet worden.” Er waren veel mannelijke leraren-in-spé. Zeker tweederde, zegt Elings. Ze kwamen veelal uit de buurt, maar op de school waren ook toen al studenten uit allerlei hoeken van het land. Vooral ‘hervormd gereformeerden’ waren bereid van ver te komen. Zij konden voor een studie in Ede fondsen krijgen van het HGO: het Hervormd Gereformeerd Onderwijzersfonds.

Sommigen gaven toen al interactieve lessen

Praktijklessen kregen de studenten amper, kerkgeschiedenis en dogmatiek des te meer. Van dominees. “Daar doe je, wanneer je voor de klas staat, helemaal niks mee”, zegt Wijnands. “Met Augustinus hoef je de kinderen niet om de oren te slaan. Dat kreeg je voor je persoonlijke vorming.” Ook andere theorievakken waren belangrijk. “Ik heb een stevige basis van Nederlands meegekregen.” Het contact tussen docenten en studenten was prima. Het merendeel van de docenten was “ruimdenkend”, zegt Elings. Sommigen gaven toen al interactieve lessen, waarbij discussie met studenten belangrijk was. Maar ook naar de docenten die strikt klassikale uitleg gaven, werd aandachtig geluisterd.

Dat waren heftige discussies

In sommige lessen dwaalde het gespreksonderwerp zomaar af naar een actuele kerkelijke discussie. De ‘Nieuwe Vertaling’ (inmiddels bekend als NBG ’51), was bijvoorbeeld een heikel thema. Elings pakt zijn Bijbel erbij en slaat 2 Timotheus 3:16 open: een tekst die discussie opleverde. In de Statenvertaling staat: “Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig […]” Maar in de Nieuwe Vertaling stond opeens: “Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig [...]” Werd hier geconcludeerd dat niet alle bijbelteksten door God zijn ingegeven? “Nou, dat waren heftige discussies hoor”, zegt Elings. “Daar genoten we van.” Soms verdeelden kerkelijke meningsverschillen de school. Dansen was bijvoorbeeld verboden. En het bestuur wilde toneel eigenlijk ook niet toestaan. Terwijl studenten en ook docenten toch echt een toneelstuk wilden opvoeren bij de jaarlijkse ‘Grote Avond’. Uiteindelijk kon het doorgaan, vertelt Wijnands. Zolang het maar niet ´toneel´, maar ‘declamatorium’ genoemd werd.

Waardering voor het eerste bestuur

Docenten waren niet de aanjagers van zulke verboden. Elings denkt bijvoorbeeld dat veel docenten geen probleem zouden hebben met dansende studenten. “Al was het maar omdat hun eigen kinderen dat ook doen.” Vooral het bestuur, waar veel dominees in zaten, voelde die verantwoordelijkheid. Elings: “Hun inbreng was niet altijd even zakelijk, eerder geestelijk, gericht op identiteitbewaking.” Toch heeft Elings waardering voor het eerste bestuur. “Zij hebben na veel moeite een kweekschool opgericht die vanuit een bepaalde identiteit werd vormgeven. Dat hebben ze goed gedaan.”