De ESJ: ‘een school met een tik’

De beginjaren van de Evangelische School voor Journalistiek

door: Jan Pieter Rottier

De maatschappij is verdorven, en christelijke journalisten zouden er Gods boodschap moeten brengen. Met die gedachte werd de Evangelische School voor Journalistiek (ESJ) opgericht. ‘Stukkies schrijven’ deden studenten maar mondjesmaat. Ze leerden zich vooral verdedigen tegen de evolutietheorie.

Ruurd Walinga hield van stijldansen, deed dat ook vaak in het weekend. Dat was een klasgenote van hem opgevallen, en zij wilde dolgraag enkele passen van hem leren. Hij leerde het haar in de schoolgang, precies groot genoeg om samen te dansen. De directeur zag het, werd boos en verbood het. Maar stoppen, dat wilden de twee niet. En twee weken later betrapte de directeur ze weer. Oud-student Walinga (50): ‘Hij wilde ons van school sturen als hij ons nog één keer zou zien dansen.’
De directeur vond stijldansen te werelds. De verdorven wereld, die mocht niet op de ESJ binnensluipen. Het moest juist andersom: de ESJ moest Gods boodschap aan de wereld laten zien – daarom was de school opgericht, eind jaren zeventig.

Verdorven

Was de wereld verdorven geworden? De wereld was eind jaren zeventig in ieder geval wel veranderd: mensen wilden zelf hun leven inrichten, wilden eigen keuzes maken, en het geloof in God hoorde daar vaak niet meer bij.
Ook het linkse gedachtegoed, het socialisme, won steeds meer aanhangers. De enige journalistiekopleiding in die tijd, de School voor Journalistiek in Utrecht, kleurde steeds roder – tot teleurstelling van enkele dagbladen.
Er ontstonden ook een aantal nieuwe christelijke mediaorganisaties: de Evangelische Omroep bijvoorbeeld, en het Reformatorisch Dagblad. En vooral die eerste zocht dringend nieuwe christelijke journalisten.
Er was dus behoefte aan een nieuwe opleiding journalistiek: eentje die minder links is, en eentje die Gods boodschap weer terug kan brengen in de maatschappij. Met die gedachte werd de ESJ opgericht. De school vond onderdak bij de in 1977 opgerichte Evangelische Hogeschool (EH) in Amersfoort. In 1979 startte de eerste groep studenten.

Psychonauten

Het eerste jaar hadden de ESJ-studenten bijna dezelfde vakken als de EH-studenten. Politicologie, sociologie en filosofie bijvoorbeeld, maar vooral veel christelijke vakken, zoals Bijbelkennis en Bijbelwetenschap. ‘We moesten veel Bijbelfeiten leren, alsof we theologen waren’, zegt Walinga. Er werd in die lessen ook gereageerd op de kritiek op de Bijbel, dat de wetenschap allang had bewezen dat de Bijbel niet klopte. ‘Zo stellig was het allemaal niet, leerden we’, vertelt oud-student Arthur de Bruin (53).
‘We werden opgeleid om weerstand te bieden tegen de wereld’, vertelt oud-student Jeannine Wiersma (49). ‘De ESJ is een christelijk eiland, en de rest van de wereld is verdorven, dat was het idee.’
Studenten kregen ook les van Rob Matzken, en moesten zijn boeken lezen. Die droegen de titels ‘De psychonauten verdrijven’ en ‘De psychonauten zijn geland’. ‘Voor de meesten van ons ging dat over ons hoofd heen’, vertelt de Bruin. Walinga zegt: ‘Ik heb nooit gesnapt wat hij ons wilde leren.’
Studenten leerden vooral het scheppingsverhaal verdedigen. De evolutietheorie is niet bewezen, kregen de studenten te horen. En ook: er is voldoende wetenschappelijk bewijs voor het creationisme.
Wiersma moest boeken over het creationisme in haar hoofd stampen, vertelt ze. En op het tentamen moest ze alle argumenten voor de schepping onder elkaar schrijven. ‘Ik zag er de relevantie niet van in.’ Walinga: ‘Ik vond het echt indoctrinatie. Het creationisme werd ons echt door de strot geduwd, van: zo is het, punt uit.’ De Bruin: ‘Achteraf gezien had het wel wat fundamentalistische trekjes.’
Maar veel studenten vonden het eigenlijk wel leerzame kost. De Bruin: ‘Er waren absoluut interessante vakken.’ De inhoudelijke vakken maakten van de ESJ’ers ook slimme studenten. ‘De vakken stimuleerden de studenten opvallend genoeg juist om zelf na te denken’, vertelt oud-docent Ton Veen (64). ‘Het was niet verantwoord, maar het effect was wel positief.’
Toch ontstond er een groep studenten die het vervelend vond dat elk vak over geloof ging. Maar in opstand, dat kwamen ze niet. Ze wilden gewoon een vak leren, meer niet.

Pro Deo

Voor die praktijk kwam steeds meer aandacht op de ESJ. Vanaf het tweede studiejaar werd de opleiding praktischer. En in 1982 brachten een aantal nieuwe docenten praktijklessen op de ESJ binnen.
Een van die nieuwe docenten was Johan ten Brinke. Hij had een goedgelezen column in het christelijke jongerenblad Aktie. Ten Brinke (62): ‘Bij de studenten leefde wel het idee: kijk, een jongen van Aktie, dat is wel een goede vent.’ Ten Brinke gaf het vak journalistieke vaardigheden. En hij maakte zelf lesmethodes. En samen met Ton Veen haalde hij gastdocenten naar Amersfoort. Die kwamen vaak pro Deo iets over hun vak vertellen.
Het mocht namelijk allemaal niet teveel kosten. Maar als de praktijkdocenten op het geld letten, en als het bestuur er geen last van had, dan was er veel mogelijk. In het bestuur ging alle aandacht uit naar het inhoudelijke deel. Dat had naast een religieuze reden ook een financiële reden: de school was in 1982 dan wel erkend, overheidssubsidie kreeg ze niet.

Attractiepark

Als praktische opdracht gingen studenten begin ‘84 ook een tijdschrift maken, de Nota Bene (NB). De krant ging niet alleen over schoolzaken – de hele samenleving kwam er ter sprake. ‘Het was een uitlaatklep voor studenten,’ zegt Veen. Ze waren praktisch bezig, en konden hun kritische ideeën kwijt – soms tegen het zere been van het schoolbestuur. Veen: ‘Één, twee keer per jaar moest ik me wel bij het schoolbestuur verantwoorden.’
Een van de artikelen ging over een creationistisch attractiepark dat een van de EH-bestuurders wilde beginnen, vertelt Veen. De NB-redacteuren waren er per toeval achtergekomen. Ze interviewden hem, en toen hij naar het toilet ging, doorzochten ze zijn papieren. En daar, in detail, daar lagen de plannen van het park. De redacteuren snelden naar huis, en tikten er een stukje van.
Schrijvende journalistiek, daar lag dus de nadruk op bij de ESJ. Geld voor een radio- of televisiestudio was er niet. Soms kregen studenten wel eens les bij de EO. Het geldtekort maakten docenten wel inventief. Voor reizen naar Brussel vroeg Veen bijvoorbeeld subsidie aan Europa. En hij herinnert zich hoe hij een keer voor een klein bedrag een restpartij laptops opkocht. En hij stuurde studenten vaak op stage – dan zaten ze niet op school, en kostten ze geen geld.
Terugkijkend zegt Veen: ‘De ESJ was wel een gekke school, een school met een tik.’ Ten Brinke is er terugkijkend trots op dat er in die ‘pionierstijd’ zoveel bereikt is. ‘Wij zaten daar met dertig, veertig studenten en wat bij elkaar geraapte docenten. En toch: er zijn heel wat jongens op sleutelposities in de journalistiek gekomen. Daar ben ik wel trots op.’ //

Voor dit artikel is gesproken met: Johan ten Brinke, naar eigen zeggen docent van midden jaren tachtig tot begin jaren negentig Ton Veen, docent van 1982 tot nu Jeannine Wiersma, student van 1983 tot 1986 Ruurd Walinga, student van 1982 tot 1985 Arthur de Bruin, student van 1982 tot 1985 En is gebruik gemaakt van het boek ‘We zijn heus geen dominee-journalisten’ van Anneke Houtman, Johan Snel en Mariska van Woudenberg.