De vernieuwing komt van de Veluwe

door Tjirk van der Ziel

Knarsend en schurend baant het ijs zich meedogenloos een weg naar het zuiden, schuift over ons land, likt aan de dik bevroren rivieren in het deltagebied, en legt zich dan definitief ten ruste. Aan de randen verkilt de verfrommelde, opgestuwde grond tot kale zandruggen. Het zal zeker eeuwen duren voor dit barre oord weer leefbaar wordt. Als het klimaat gestaag kantelt, de laatste ijsresten wegsmelten en de ondergrond ontdooit, komen de eerste zaden al aanwaaien. Behoedzaam ontkiemen groene planten en krijgen ook bomen nieuwe energie.

De Veluwe

Nog eenmaal zal gure poolwind erop los beuken. Een tijd van stille toendra en meters dekzand, maar hier schuilt het oudst levende landschap van Nederland. Een weelderige streek waar de natuur nog altijd stevig in het zadel zit. Zo solide, dat veel huidige beuken en eiken scheuten zouden zijn van oerbomen die telkens opnieuw uitbotten, terwijl ze intussen zelf vermolmd raken. Zo is het niet. Maar het gebied als geheel ademt wel dynamiek. Hier werd gekapt en geplant, hier werd ijzer gesmeed en papier geschept, hier wordt gekampeerd en hoge kunst beschouwd, hier scharrelen de beekdonderpad en de kleine modderkruiper.

En hier kwam de CHE

Ruim zestig jaar geleden rijpen ideeën over een christelijke kweekschool, de opleiding voor juffen en meesters. Waar anders dan op de noeste Veluwe zou zo’n school het beste gedijen. Zo betrekken in september 1954 ruim zestig studenten en een handjevol docenten de constistorie van het ‘Keuenkerkje’ in hartje Ede. Aanvankelijk als dependance van een kweekschool in Utrecht, ruim drie jaar later geheel zelfstandig – de school is dan al hecht geworteld. De oprichters willen werken vanuit hun gereformeerd fundament. Dat slaat aan.

Dan maakt Nederland in de jaren zestig kennis met de jongerencultuur. Er hangen veranderingen in de lucht. Als in Amsterdam het Maagdenhuis wordt bezet om meer inspraak in het hoger onderwijs af te dwingen, schudt ook in Ede een groepje studenten aan de pedagogische boom. Modernisering! Al wordt de bezetting binnen een dag weer afgeblazen, het gesprek over de waarden van de eigen identiteit blijft. De Veluwe is geen eiland, nooit geweest ook.

Het woelt in de samenleving. Links staat tegenover rechts. Opnieuw klinkt de behoefte aan een doortimmerde christelijke opleiding, nu voor sociaal-culturele werkers en andere sociale beroepen. Opnieuw komt de Veluwe in het vizier. Een veld bij Ermelo, hoewel nog woest en leeg een potentiële plek voor nieuw pit. Opnieuw pionieren. Uiteindelijk wordt het toch Ede, eerst in een barak, onder de naam De Vijverberg. De maatschappij is echter nooit ver weg. Ook hier zoeken docenten en studenten naar een onderscheidend geluid in een veranderende wereld.

In de jaren negentig breken nieuwe tijden aan. Beide scholen fuseren, andere bestaande opleidingen laten zich op die nieuwe stam enten, de naam Christelijke Hogeschool Ede wordt in top gehesen. Er verschijnen nieuwe studies voor nieuwe beroepen. Er komen nieuwe studenten en docenten. De school dijt uit met onder haar kruin een bonte waaier van sociaal pedagogen, journalisten, theologen, pastorale medewerkers, pabo-leerkrachten, hulpverleners, verpleegkundigen, personeelswerkers, bedrijfskundigen, communicatievakmensen – de Veluwse bodem bezit groeikracht.

Zestig jaar

Bomen gaan in de loop der jaren krom staan. Tegen heersende winden valt weinig te beginnen. En bij razende stormen vallen velen bij bosjes. De taaiste stammen weten zich gestut door hun wortelstelsels, onzichtbaar voor het oog maar diep geaard in vruchtbare bedding. De CHE zuigt zich vast aan de oerbron waarmee Genesis opent en dat in Psalm 1 wordt herhaald: een boom, geplant aan stromend water, bloeit overvloedig en draagt blijvend vrucht. Een zegen.

Een knoestige staat zit lenigheid allerminst in de weg. De frisheid van die bron helpt om ook tijdens een gouden jubileum oude idealen te verversen, in een gloednieuw gebouw en met nieuwe verbindingen. De CHE groeit met deze regio mee, waarbij het zwaartepunt wordt gelegd bij het belang van waarden. Idealen zijn er ook voor Nederland. Door de huidige kille bries dreigt een geestelijke ijstijd. De hogeschool biedt daartegen weerstand met opleidingen die dicht bij mensen staan.

De CHE als leertuin. Maar een levende onderwijsgemeenschap waar studenten als nieuwe zaailingen tot wasdom komen en uitvliegen, vergt actief, duurzaam onderhoud. Samen optrekken betekent met elkaar van gedachten wisselen over de christelijke identiteit, over het verband tussen geloof en beroep. Als de verlegenheid hierover toeneemt, schieten woorden tekort. Daarom heeft het onderhoud een gemeenschappelijke taal nodig. Met die taal kunnen identiteit en diversiteit als een eenheid worden begrepen en ervaren. En het is met die taal waarmee docenten en studenten aansluiting zoeken bij de werkelijke behoeften in de samenleving.