De CHE: een hogeschool met een christelijke identiteit

Door Peter Blokhuis

Wat bewoog de oprichters? De huidige CHE is ontstaan door een fusie van vijf christelijke hogere beroepsopleidingen: Felua, De Vijverberg,  Evangelische School voor Journalistiek (ESJ) en twee theologische opleidingen, te weten;  de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Bond (THGB) in Zeist en de Evangelische Theologische Hogeschool (ETH) in Veenendaal.  Van deze vijf hebben Felua, De Vijverberg en de ESJ het karakter van de CHE het meest bepaald.  Daarom wordt in dit overzicht geen aandacht besteed aan de twee theologische hogescholen.
 
 

Start Felua

logo feluaOp 1 september 1954 start in Ede een nieuwe kweekschool uitgaande van de stichting Christelijke Kweekschool op de Veluwe.  De naam ‘Felua’, de oudste naam van de Veluwe,  wordt pas in 1969 voor deze school gekozen. Het karakter van de school  is ‘hervormd gereformeerd’,  zoals het in de stukken wordt genoemd. Nadat een verzoek om overheidssubsidie is afgewezen, begint men als dependance van de Christelijke Kweekschool op gereformeerde grondslag ’Rehoboth’  die in Utrecht is gevestigd, een school met dezelfde kerkelijke achtergrond.  Op 1 januari 1958 wordt de school zelfstandig. Waarom een kweekschool voor christelijke onderwijzers op de Veluwe? Een krachtig pleitbezorger, professor F.C. Gerretson, Eerste- Kamerlid voor de CHU, zei het in het parlement als volgt: “Terwijl de Christelijk-Protestantse partijen in het land 24 procent der stemmen uitbrachten, was dit op de Veluwe 48 procent. Hier leeft nog een kinderrijke, goeddeels orthodoxe boerenstand , die een deel van zijn jongens en meisjes gaarne geeft  voor de school,  mits voor de school van zijn richting, de Hervormd- of Gereformeerd-Christelijke”. Met andere woorden, als de minister meer onderwijzers nodig heeft, moet hij de reserves op de Veluwe aanboren door de kweekschool in Ede als zelfstandige school te erkennen.  Veel lagere scholen hebben een duidelijk kerkelijke achtergrond en daar horen onderwijzers bij die dezelfde achtergrond hebben. Dat het nauw luistert, blijkt wel hieruit dat gesprekken met de vereniging ‘De Christelijke Kweekschool’ in Apeldoorn op niets uitliepen. Men kon het niet eens worden over het ‘hervormd gereformeerde’ karakter. In de loop der jaren onderscheidt de kweekschool zich door duidelijk te laten weten dat zij orthodox-protestant wil zijn en de Drie Formulieren van Enigheid niet schuwt. Bij het 40-jarig jubileum van de Felua schrijft drs Elings, oud-leerling en bij het jubileum  voorzitter van het College van Bestuur: “Centraal in ons denken en handelen staat het Evangelie van Jezus Christus, onze Heiland”.  Studenten worden opgeleid voor het christelijk basisonderwijs.  In een rapport van een kritische visitatiecommissie uit 1992 staat te lezen dat zij op Felua “een gemeenschap van denominatief gelijkgezinden heeft aangetroffen die werkt vanuit een zichtbaar perspectief: geloof en vertrouwen. Het geloof en de daarin besloten waarden vormen een duidelijke inspiratiebron en een gemeenschappelijk vertrekpunt“. Men zou kunnen zeggen dat Felua uit het orthodox-protestantse volksdeel voortkwam en daar altijd dichtbij is gebleven.  Daarbij moet wel aangetekend worden dat leraren voor reformatorische basisscholen en vrijgemaakt gereformeerde basisscholen elders werden opgeleid, aan respectievelijk Driestar Educatief (Gouda) en de Gereformeerde Hogeschool (Zwolle).

Terwijl Felua haast organisch opkwam uit een deel van de Nederlandse samenleving,  waren De Vijverberg en de ESJ het resultaat van strijd.  Aan het eind van de jaren zestig was er een sterke hang naar vernieuwing in de samenleving, met name bij de jongeren die hoger onderwijs volgden.  Sociale academies gingen daarin mee. Zij verzetten zich tegen de traditie en oude gezagsverhoudingen met als gevolg een kritische benadering van het Nederlandse zuilenlandschap.  De roep om verandering en kritiek op de bestaande verhoudingen  vormde de aanleiding tot de oprichting van zowel De Vijverberg als de ESJ.

Start De Vijverberg

vijverberg 2De oprichters van De Vijverberg, die de eerste jaren de naam Gereformeerde Sociale Akademie droeg, hadden grote bezwaren tegen een visie ‘die de revolutie als bruikbaar of zelfs gewenst middel tot maatschappijhervorming hanteert’, aldus een brief aan het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen van de Stichting ter bevordering van Gereformeerd Sociaal Paedagogisch Onderwijs van 30 januari 1974  .  In dit citaat klinkt door de titel van het boek Ongeloof en Revolutie van mr. G. Groen van Prinsterer, in de 19e eeuw als parlementslid een pleitbezorger van de orthodox protestanten.  Revolutie, verandering van de samenleving in neomarxistische zin, gaat niet samen met de christelijke levensovertuiging. Groen woonde tijdens zijn leven in Den Haag aan de Korte Vijverberg. Om de geestverwantschap aan te geven, koos men later voor de sociale academie een naam die herinnerde aan Groens adres.   De oprichters waren overtuigd van de noodzaak van sociaal werk binnen hun eigen achterban maar de bestaande sociale academies konden in die behoefte niet voorzien.  Daarom konden zij jongeren ook niet het advies geven een opleiding tot sociaal werker te volgen.  ‘Wij verwerpen’, zo schrijven ze aan de minister, ‘een visie die uitgaat van het conflictmodel tot omvorming van de maatschappij’. In plaats daarvan wil men de maatschappij dienen ‘door de noden die er zijn te lenigen in maatschappelijk dienstbetoon, uitgaande van het evangelie van Jezus Christus, en verder mensen te vormen tot verantwoordelijke individuen die hun evangelische roeping in de maatschappelijke verbanden van nu verstaan’. Het accent ligt op het individuele aspect van de hulpverlening, al wil men de structuren niet buiten beschouwing laten.  Uit de adhesiebetuigingen en de financiële steun van kerken bleek dat de achterban groot genoeg was. Maar er was ook weerstand tegen wat anderen als een rechtse conservatieve club zagen. Aanvankelijk wilde de stichting de nieuwe academie vestigen in Ermelo.  Een handtekeningenactie tegen de komst van de academie zorgde voor een ongunstig politiek klimaat en een gemeentebestuur dat weinig deed om de stichting te helpen. Het ministerie zag het belang van de nieuwe sociale academie en werkte volgens de eerste directeur, drs C. Verhoeff, zoveel mogelijk mee.  Dat deed ook de gemeente Ede die blij was met een nieuwe instelling voor hoger onderwijs na het vertrek van de christelijke agrarische hogeschool naar Dronten.

Start ESJ

esjVeel meer dan de oprichting van De Vijverberg was de oprichting van de ESJ een zaak van individuele personen, al is de ESJ ondenkbaar zonder de iets eerder gestarte Evangelische Hogeschool (1977).  De drie ‘founding fathers’  drs J.A. van Delden, R.H. Matzken en drs N.C. van Velzen waren al verbonden aan de EH en het (stichtings-)bestuur van de EH was ook het bestuur van de ESJ.  Het waren Matzken en Van Delden die het EH-bestuur ertoe brachten de EH uit te bouwen met een journalistiekopleiding. Het ontstaan van de ESJ en de relatie tot de EH is boeiend beschreven in Wij zijn heus geen dominee-journalisten van Anneke Houtman, Johan Snel en Mariska van Woudenberg. Het ging de oprichters om ‘bijbelgetrouwe ‘journalistiek. Dat betekende dat men niet wilde samenwerken met katholieken en dat een algemeen-christelijke of algemeen-protestantse opleiding onaanvaardbaar was. Die waren niet bijbelgetrouw genoeg. Daarmee zetten de oprichters zich af tegen plannen vanuit het CNV om tot alternatieven voor de School voor de Journalistiek in Utrecht te komen. De school in Utrecht was maatschappijkritisch op een manier die veel media te ver ging. Maar waarin moest de ESJ dan uniek zijn? In een interview wekken Matzken en Van Delden de indruk dat de meeste Nederlandse journalisten zich laten beïnvloeden door een neomarxistisch maatschappijkritisch denkkader.  Ze zijn bevooroordeeld. Daartegenover  moet een christen journalist recht doen aan de werkelijkheid. (Houtman, c.s, p.22-24) Volgens de auteurs van Wij zijn geen dominee-journalisten betekende ‘bijbelgetrouw’ voor de leiders van de EH dat ze de strijd aanbinden ‘met Darwin en Marx, met evolutie en revolutie, met ‘schriftkritiek’ en maatschappijkritiek’. (Houtman c.s., p. 49)  De oprichters van de EH waren scherper en strijdvaardiger dan die van De Vijverberg.  Vanuit de EH werd De Vijverberg dan ook met enig wantrouwen bekeken.  Ede was te licht en er was een ernstige crisis bij de EH voor nodig om De Vijverberg en de ESJ bij elkaar te brengen. Vanwege het accent op de bestrijding van gangbare denkbeelden is het niet vreemd dat de ESJ aan algemeen vormende  en maatschappelijke vakken meer tijd besteedt dan aan journalistieke vaardigheden.  Wat betekent dit voor het journalistieke ambacht in de praktijk? Houtman, c.s. citeren uit een verslag van een docentenvergadering gehouden in 1985 de volgende conclusie: ‘Christelijke journalistiek dient bewust en bijbels verantwoording te kunnen geven van de invloed van het christelijk geloof bij de werving en de selectie van het nieuws, de verwoording ervan, de vormgeving, de becommentariëring.’ (p.81)  Visies doen ertoe, ook de christelijke visie. Maar wat is die christelijke visie  precies? En hoe verhoudt zich dit tot het recht doen aan de werkelijkheid? Want de lezer/kijker/luisteraar wil in de eerste plaats nieuws, geen mening of visie.  Het worstelen met de relatie tussen enerzijds nieuws, de feiten en anderzijds de visie van de journalist is het kenmerk van de ESJ geweest en is dat bij de opleiding in Ede nog steeds.  Het komt tot uitdrukking in de titel van een ‘visiebundel’, uitgegeven ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan: Bezielde Journalistiek.

Cultuur Vijverberg

De Vijverberg en de ESJ lieten studenten niet zomaar toe. Ze werden stevig ondervraagd  alvorens ze mochten komen. Men wilde gemotiveerde studenten die achter de uitgangspunten van de opleiding stonden.  Nog sterker gold dat uiteraard voor docenten.  Docenten en studenten moesten een gemeenschap vormen.  Dat betekent betrokkenheid en gelijkgezindheid.  Maar hoeveel ruimte is er dan voor verschil? In de brochure Terugblik en Uitbouw (1978) van het bestuur van De Vijverberg schrijft adjunct-directeur Ds A. Romein dat de gemeenschap sterker is dan de verschillen. ‘Wij allen, docenten en studenten, zijn op deze school werkzaam op basis van een gemeenschappelijke grondslag en gericht op een gezamenlijke doelstelling.’ (p.42). De Bijbel is uitgangspunt en norm, dat maakt De Vijverberg tot wat zij is. Die keuze houdt een enorme opdracht in, namelijk om er consequenties uit te trekken voor de omgang met elkaar, de invulling van het onderwijs en de visie op het beroep. De sfeer binnen De Vijverberg was de eerste jaren die van een groep pioniers. Studenten en docenten waren enorm gemotiveerd.  Er was geen subsidie, men leefde van de giften van kerken.  Directeur Verhoeff trok zo nu en dan met docent Moret  het land in om de achterban ertoe te bewegen de school te blijven steunen. Het docententeam was klein en voelde zich net een familie. Het gebouw was een bouwvallige barak aangevuld met enkele containers. Op vele plaatsen golfde de vloer onder je voeten.  De directeur moest een keer aantreden op zondagavond omdat het dak lekte.  Samen met zijn vrouw dweilde hij het water op om het gebouw weer toegankelijk te maken. Het bestuur was streng.  De directeur werd zelfs geacht toe te zien op de leefwijze van de studenten die op kamers woonden.  Diezelfde studenten haalden met hun directeur grappen uit die hij slecht kon waarderen.  Ze waren dan wel gemotiveerd maar zo serieus als hun docenten waren ze niet.  Adjunct-directeur Romein zei in een interview uit 2014 dat er drie soorten studenten waren: de serieuze gereformeerden, de gitaar spelende evangelisen en de studenten die niet zelf voor Ede hadden gekozen maar er kwamen op aandrang van hun ouders.  Blijkbaar kwam de laatste groep toch door het toelatingsgesprek.  Het is moeilijk voorstelbaar dat men studenten aannam die aangaven ‘hier niet te willen zijn’.  De samenstelling van de studentenpopulatie zorgde voor verscheidenheid in leefstijl en voor stevige discussies.  De gedachte dat studenten uit Ede een groep gelijkgezinden en gelijkgekleden vormden, is altijd onjuist geweest. Ondanks de groei van De Vijverberg bleef het familiegevoel tot aan de fusies sterk. Docenten kenden elkaar en hun studenten.  Gekend worden,  korte lijnen, aanspreekbaar zijn, het zijn de kenmerken van een hechte gemeenschap.  Onenigheid was er ook.  Pionier Cor Verhoeff bleef pionier en werd te weinig manager volgens sommigen.  Hij moest plaatsmaken.  Tot zijn eer moet gezegd worden dat hij zijn gevoelens oversteeg en les bleef geven.

Cultuur ESJ

Vergeleken met de ESJ waren ze op De Vijverberg niet erg streng. In We zijn heus geen dominee-journalisten  wordt verhaald  over censuur:  studenten mogen niet naar buiten brengen wat schadelijk is voor de school.  Twee studenten die dat wel doen, worden zelfs enige tijd geschorst.  In antwoord op een vraag van een journalist zegt directeur Van Delden: ‘Als met paternalistisch wordt bedoeld dat het schoolbestuur zich als een vader bekommert om het wel en wee van de student, heb ik er geen bezwaar tegen.’ (Houtman, c.s. p. 93) Een studente die ongehuwd samenwoont met een man wordt van school gestuurd.  Op buitensporig gedrag worden studenten aangesproken.  De redactie van het studentenblad Nota Bene zegt last te hebben van censuur door de school.  Negatief nieuws over de school wordt niet getolereerd, net zomin als afwijkende meningen over controversiële onderwerpen.  De ESJ is geheel afhankelijk van giften en dan heeft nieuws dat slecht valt bij de achterban al gauw financiële gevolgen. In het boek van Houtman c.s zijn interviews opgenomen met vijftien oud-studenten.  De meesten zijn positief over hun oude school, zij het om verschillende redenen.  De niet-christenen onder hen vinden de ESJ veel te christelijk maar noemen als positieve punten de goede theoretische basis en de aandacht voor ethiek. De christelijke oud-studenten  zijn positief over de ontmoeting met christenen uit andere kerken.  De ESJ was protestants  maar kerkelijk veelkleurig.  De oud-studenten zijn het erover eens dat de opleiding in de Amersfoortse tijd te weinig praktisch was.  Uit de interviews komt het beeld op van een kleine gemeenschap waar men elkaar kende en heftig discussieerde. Van laksheid en onverschilligheid geen sprake. Docenten stonden ergens voor en probeerden studenten te overtuigen van hun soms zeer bijzondere opvattingen. Het was misschien een gekke school maar mede daardoor de moeite waard.

Cultuur Felua

Een zekere gezapigheid was er wel bij Felua, als we tenminste afgaan op woorden van oud-studente Ruth Talsma. Zij schrijft over het roerige jaar 1968: Amerika: Hippies en Flowerpower Tsjecho Slowakije: Praagse Lente Parijs: Studentenopstand Amsterdam: Bezetting Maagdenhuis Ede: Van het front geen nieuws.  (Buesink, p.97). Alle onvrede en opstand ging aan de studenten van Felua voorbij.  Buesink schrijft in zijn inleiding dat ‘door overleg en door de opstelling van docenten er eigenlijk nooit sprake is van echte conflicten’.  (p.64)  Dat betreft ook de in de zestiger jaren overal bepleitte democratisering.  Op Felua gaat dat geleidelijk en in goed overleg.  Een enkele rimpeling is er wel. Evenals bij De Vijverberg neemt bij Felua een directeur onvrijwillig afscheid.    Een memorabel protest van studenten ging over toneel. Op een schoolavond in 1956 werd door studenten een toneelbewerking van de legende van Beatrijs opgevoerd.  Sommige bestuursleden hebben daar bezwaar tegen.  ‘Het strookt niet met het karakter van de school, die gebaseerd is op de gereformeerde beginselen’’.  (Buesink, p. 193) Maar anderen zeggen dat bij een verbod ‘vele Gereformeerden zich zullen distantiëren van de school’. Er zijn al gevallen waarin ouders hun kind liever naar Utrecht dan naar Ede sturen.  Dat zullen wel   synodaal gereformeerde ouders geweest zijn.  Bij de start van Felua was de meerderheid van het bestuur hervormd gereformeerd, wat veelal betekende dat men zwaarder orthodox was dan de als licht beschouwde synodalen. Het was dan ook een punt van zorg voor het bestuur toen bleek dat relatief veel docenten synodaal gereformeerd bleken te zijn.  In 1958 keert de toneelkwestie terug in het bestuur. Studenten willen het middeleeuwse spel Esmoreit opvoeren.  Het bestuur verbiedt dat. Daar protesteren studenten tegen. Het bestuur is intern verdeeld en er volgt een gesprek met docenten.  In 1959 besluit het bestuur unaniem  ‘op de avonden der school, zowel naar binnen als naar buiten geen toneelopvoering te geven’. (Buesink, p.195).  Niemand wil ruzie! Maar later hoort men niets meer over de kwestie en wordt toneel gewoon geaccepteerd.  Misschien mede doordat bezwaarden altijd konden uitwijken naar Driestar Educatief in Gouda.

Identiteit en onderwijspraktijk

De oprichters van de scholen hadden duidelijke motieven voor hun stichtingswerk.  Maar de fakkel moest wel overgenomen worden door het personeel, met name door de docenten.  Wat betekende de principiële stellingname voor de praktijk van het onderwijs? ‘Felua liet ons een gefilterd wereldbeeld zien’, schrijft oud-student Jan van Ginkel terugblikkend.  Met deze wat curieuze zin wil hij wijzen op het dualisme van de docenten van Felua.  Enerzijds waren ze stevig verankerd in de onaantastbare normen van het dogmatisch christendom, anderzijds gingen ze mee met hun tijd. Over veel kon gesproken worden en die openheid was sterk bepalend voor de vorming van de studenten.  (Buesink, p.101) Hans Vuijk, docent en later lid van de directie,  schrijft in 1994 over de identiteit van Felua:  ‘het zonder al te grote woorden serieus nemen van je taak, van je verantwoordelijkheid als christen-docent in een vormingssituatie’.  Typerend voor Felua acht hij ook het ‘persoonlijke relatiekenmerk’: ‘ de oprechte bedoeling het belang van de student als persoon te erkennen en hem van dienst te zijn’. (Buesink, p. 13-15) Felua heeft geen publicaties over christelijk onderwijs naar buiten gebracht.  Men haalde ook de pers niet met opvallende standpunten.  Felua was niet dogmatisch en docenten namen elkaar niet de maat.  De christelijke identiteit kwam tot uitdrukking in kleine dingen.  Johan van Bruggen, oud-student en oud-docent, schrijft daarover:’ Juist in de jaren van ontvankelijkheid had ik het voorrecht te leven in een omgeving waarin stimulansen werden gegeven voor de vorming van karakter, studiezin, geloofsoriëntatie en verantwoordelijkheidsbesef’. ‘Ik heb de indruk dat ook nu nog Felua een plek is waar niet alleen een beroep geleerd kan worden, maar waar ook menselijkheid, betrokkenheid, geloof, zorg en verantwoordelijkheid getoond worden’. (Buesink, p.142-144)  Felua was allereerst een gemeenschap waar bepaalde waarden werden geleefd en daardoor uitgedragen.

Aan De Vijverberg werkte sinds 1978 dr Ab Noordegraaf.  Aan hem was de taak opgedragen na te denken over de betekenis van de gereformeerde uitgangspunten voor de beroepen waarvoor men opleidde. Dat leidde tot een aantal visiestukken voor intern gebruik. In 1982 verscheen van hem Meer dan een formule, een boekje over de onderwijskundige betekenis van het klassieke belijden van de kerk.  Noordegraaf acht de oude belijdenis nog van grote betekenis maar de vertaalslag is niet eenvoudig, al was het maar omdat christenen zich nu moeten opstellen tegenover andere levensvisies dan vroeger.  Reeds voor de komst van Noordegraaf vormde de ontwikkeling van het eigen beroepsgerichte denken een belangrijk aandachtspunt binnen De Vijverberg. Een aantal medewerkers en externe deskundigen vormde al snel na de start een werkgroep ‘Geloof en Hulpverlening’ die als doel had het ontwikkelen van studiemateriaal voor docenten en studenten.  De vraag naar wat ‘christelijke hulpverlening’ is, heeft de mensen van De Vijverberg vanaf het begin bezig gehouden. Het bestuur dacht graag mee, zeker toen de school nog klein was.  Vele jaren werd jaarlijks een tweedaagse bezinningsconferentie voor bestuur en medewerkers georganiseerd.  Daarbij werd de discussie met andersdenkenden niet geschuwd.  Men realiseerde zich terdege dat men niet op een eiland werkte en dat studenten moesten leren functioneren in een levensbeschouwelijk veelkleurige praktijk. Bij de opening van De Vijverberg in 1974 hield professor W.H. Velema, die ook het eerste jaar het vak Ethiek verzorgde, de feestrede.  Hij schetste als de taak van De Vijverberg het werken vanuit een visie op mens en maatschappij waarbij noch het individu door de gemeenschap wordt overheerst, noch de gemeenschap uit het oog wordt verloren. Daarin klonk door de aanleiding tot het oprichten van De Vijverberg.  Het werd een belangrijk thema in de bezinning van de docenten.    De Vijverberg kende een serie eigen publicaties, De Vijverbergserie, waarin eigen docenten konden publiceren.  Bij het tienjarig jubileum werd in deze serie de bundel Omzien naar Welzijn uitgegeven waarin enkele docenten hun visie op het beroep schetsten.    Studenten werden aangemoedigd om in hun scriptie aandacht te besteden aan hun eigen visie op het werk.  Werken vanuit een visie en niet op basis van neutrale professionaliteit, dat was en is het ideaal. Professionaliteit in de zin van deskundigheid is belangrijk maar neutraal is die nooit.

Werkten docenten aan De Vijverberg aan de ontwikkeling van een eigen visie, aan de ESJ leek de eigen visie vanaf het begin duidelijk te zijn en zich uit te strekken tot veel meer terreinen dan bij Felua en De Vijverberg.  Niet alleen ‘revolutie en evolutie’ werden bestreden maar ook Bijbelkritiek,  de neutraliteit van de wetenschap en de secularisatie.  De visie stond in belangrijke mate vast en studenten werden daarmee geconfronteerd.  In Wij zijn geen dominee-journalisten schrijven de auteurs: ‘De theorievorming op het gebied van christelijke journalistiek in EH-verband lijkt nooit goed te zijn aangekomen bij de ESJ-studenten die het ideaal in hun werk gestalte moeten geven.’ (Houtman, c.s. p.80)  Veel studenten  waren er niet van overtuigd dat er zoiets als ‘christelijke journalistiek’ bestaat.  Men kan zich afvragen of het hier niet gaat over een stukje conceptuele verwarring. Want het gaat wel over journalistiek. De eerste vraag zou dan moeten zijn wat journalistiek tot journalistiek maakt. De overeenkomst tussen het werk van alle journalisten zou voorop moeten staan.  Dan stuit je ook op de normatieve beslissingen die bij het vak horen. Soms wordt de indruk gewekt dat christelijke journalistiek geen journalistiek is omdat het anders-zijn voorop wordt  geplaatst. Het gaat echter primair om de normen voor het werk van de journalist. Andere normen leiden tot andere resultaten.  Dat klinkt door in de omschrijving van christelijke journalistiek door een groep ESJ-docenten die eerder werd aangehaald. In dat spoor is men in Ede verder gegaan. De scherpte naar buiten werd daardoor minder maar de professionaliteit en de openheid namen toe.  Daardoor paste de ESJ beter bij Felua en De Vijverberg maar men kan niet zeggen dat dat noodgedwongen was.  De verandering van denken was al binnen de ESJ zelf begonnen.

Identiteit en logo

Over de  logo’s  van de verschillende scholen zal diep nagedacht zijn.  Een logo is niet iets wat je zomaar kunt overlaten aan een slim communicatiebureau.  Het gaat om meer dan originaliteit en het trekken van de aandacht, in het logo moet tot uitdrukking komen wie je bent in principiële zin.  Dus zien we dat christelijke organisaties symbolen als het anker, het kruis, de kandelaar en de open Bijbel gebruiken.  Felua liet het bij een kunstzinnige vorm van de eigen naam.  Daar kun je lang over nadenken. Zit er een verwijzing naar Het Woord in? Is men tegen het gebruik van beelden? De ESJ deelde het logo met de EH: een figuur waarin je een mannetje met opgeheven armen kunt zien, een kandelaar  maar ook een vrije vormgeving van de lettercombinatie EH.  Onder het figuurtje staat een dikke streep, volgens Van Delden verbeeldt die de grondslag van de school. (Houtman, c.s. p.128)     De Vijverberg begon met een zwarte combinatie van kruis en anker tegen de achtergrond van een ring van groene mensvormige figuurtjes.  Toen de naam De Vijverberg werd ingevoerd ging men over naar een sober logo bestaande uit de naam in vet zwart met daarachter twee veldjes opgebouwd uit blauwe strepen.  Wie ernaar kijkt, zou op de gedachte kunnen komen dat er een calvinistische  vormgever achter zit.  Als men na de fusies verder gaat onder de naam Christelijke Hogeschool Ede, komt er ook een nieuw logo.  Dat is luchtiger en je kun er minstens drie dingen in zien:  een vlieger, twee blauwe ogen naast een grijze neus en een ruimtesatelliet met zonnepanelen.  Wie vooral op de kleuren let, zou als omschrijving kunnen geven:  grijs en zwart met blauw uitzicht.  De  protestantse identiteit zit nog steeds in het logo, als je het wilt zien tenminste.

Publicaties waar in de tekst naar wordt verwezen
Buesink, A.G.J. (samenstelling en redactie),  Felua, veertig jaar Christelijk opleidingsonderwijs in Ede, 1954-1994, Ede: Christelijke Hogeschool Felua, 1993 Terugblik en Uitbouw, uitgave van de Stichting ter bevordering van Gereformeerd Sociaal Pedagogisch Onderwijs, Dordrecht 1978 Anneke Houtman, Johan Snel, Mariska van Woudenberg (red.), Wij zijn heus geen dominee-journalisten: een paar hoofdstukken uit 25 jaar Evangelische School voor Journalistiek (ESJ), Ede: opleiding Journalistiek aan de Christelijke Hogeschool Ede, 2004 Omzien naar Welzijn: variaties op een thema na tien jaar De Vijverberg, Vijverbergserie 3, Kampen: Kok, 1984 Noordegraaf, A. Meer dan een formule: de betekenis van de gereformeerde grondslag voor christelijke organisaties, Vijverbergserie 1, Kok: Kampen, 1982

Voor de achterliggende documenten van dit artikel kun je contact opnemen met de CHE via secretariaatcvb@che.nl